Project 7

Studie van de interactie tussen inflammatie en de oestrogeenreceptor in de ontwikkeling van resistentie tegen
endocriene therapie

Borstkanker is één van de meest voorkomende doodsoorzaken bij vrouwen. Deze kanker kan men indelen in twee groepen, namelijk een groep die de oestrogeenreceptor tot expressie brengt (ER+) en een andere groep die geen oestrogeenreceptor (ER-) heeft. De aanwezigheid van deze receptor is van therapeutisch belang. Zo worden patiënten met ER-positieve borstkanker behandeld met endocriene therapie. Echter, in een subgroep van patiënten met ER-positieve borstkanker kan resistentie tegen deze therapie ontwikkelen. Naast ER-positieve en ER-negatieve groepen, kan borstkanker ook onderverdeeld worden in 5 subtypen met een verschillende prognose. Dit verschil in prognose tussen de subgroepen maakt het interessant om elke subgroep apart te onderzoeken.

In voorgaande studies is er een correlatie aangetoond tussen ER en de transcriptiefactor, nucleaire factor-kB (NFkB). Deze correlatie kan zowel positief als negatief zijn. Hierdoor zou NFkB een rol kunnen spelen in het bepalen van de prognose van borstkanker.

Het doel van deze studie is de relatie tussen ER en NFkB in de verschillende borstkankersubtypen op te helderen en na te gaan welke invloed dit heeft op de ontwikkeling van tumoren resistent tegen endocriene therapie. Door in te werken op de NFkB-signaalweg zou het mogelijk zijn om resistente borstkanker weer gevoelig te maken voor endocriene behandeling. Als eerste wordt nagegaan of de relatie tussen de activiteit van de ER-signaalweg en de NFkB-signaalweg verschillend is in de 5 subgroepen van borstkanker. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van 1500 publiek beschikbare genexpressieprofielen, waarin vervolgens de expressie van ER- en NFkB- doelwitten en hun functionele signaturen worden geanalyseerd.
In een tweede deel van de studie wordt het effect van de interactie tussen ER en NFkB op endocriene resistente en gevoelige borstkanker geëvalueerd. Cellijnen van de verschillende moleculaire subtypen worden behandeld met tamoxifen of worden gekweekt in medium dat vrij van oestrogeen is. Vervolgens wordt de celoverleving nagegaan.

Daarna worden de NFkB- en de ER-signaalweg onderzocht in resistente en sensitieve cellijnen. Dit gebeurt zowel op het niveau van proteïnen als van genexpressie door gebruik te maken van Western blot, Electrophoretic Mobility Shift Assays (EMSA), ELISA en qRT-PCR. Verder wordt het effect van NFkB-activiteit op resistentie tegen endocriene therapie onderzocht. In de tamoxifen-resistente cellijnen wordt NFkB geïnhibeerd, terwijl aan NFkB-gevoelige cellijnen NFkB-activerende stoffen worden toegevoegd.

Vervolgens wordt de celoverleving geëvalueerd. Ook wordt in alle cellijnen de ER-activiteit onderzocht door middel van Western blot, EMSA en qRT-PCR. Tenslotte wordt de activiteit van ER en NFkB nagegaan in primaire tumoren en bijhorende metastasen door middel van de Affymetrix HGU133plus2.0 gene chip. Het uiteindelijke doel is een groep van patiënten te identificeren waarbij interferentie van de NFkB-signaalweg de resistentie tegen endocriene therapie kan opheffen.